Inzet isoleercel verschilt sterk per regio

Trouw  - september 2021

GGZ-instellingen moeten  van de isoleercel af, daar zijn ze het over eens. Maar uit een analyse blijkt dat het de een heel goed lukt en de ander totaal niet.

Psychiatrische patiënten lopen in de ene regio veel meer kans om in de separeercel te belanden dan in de andere. Dat blijkt uit een analyse van ruwe data uit 2019 van het Zorginstituut Nederland, door onderzoeker Eric Noorthoorn, werkzaam bij instelling GGNet.
Al tientallen jaren streeft de GGZ ernaar om patiënten minder vaak op te sluiten, liefst helemaal niet meer, maar dat blijkt makkelijker gewenst dan gedaan. De kloof tussen instellingen die veel en weinig separeren wordt zelfs dieper.
In 2017 nog sprak een groep instellingen af om de isoleercel in drie jaar tijd helemaal af te schaffen maar dat mislukte volledig. Uit de ruwe cijfers van de 22 grootste instellingen blijkt dat de separeer in 2019 wel minder vaak is gebruikt dan in 2018. Tegelijk valt op dat de verschillen tussen koplopers (waaronder Breburg, Emergis, GGZ Westelijk Noord-Brabant) en hekkensluiters (Pro Persona, Parnassia, Arkin) steeds groter zijn geworden. Variërend van ruim honderd uur separatie per jaar tot meer dan 40 duizend uur.
De cijfers over 2020 zijn nog niet compleet. Toch is het onwaarschijnlijk dat het beeld sterk verbetert. “Het terugdringen van separatie kost veel tijd en geld”, zegt Marc Verbraak, bestuurder bij uitschieter Pro Persona. Hij zag zijnseparatie in 2020 bij Pro Persona nog verder stijgen. Onder andere omdat de isoleercel als quarantaineruimte gebruikt werd. Maar hij ziet de laatste jaren ook meer patiënten met zwaardere problematiek.
De kloof tussen instellingen is het gevolg van een gebrek aan transparantie, zeggen bestuurders en onderzoekers. Instellingen zouden hun cijfers weer met elkaar moeten vergelijken, zoals ze dat in de jaren vóór 2014 deden. “Toen zag je dat ze elkaar scherp hielden”, zegt Kees Lemke, voorzitter van Herstel voor iedereen, een alliantie van zeventien instellingen. “Via het telraam ontdekten ze dat anderen het beter deden en bespraken dat intern. Waar laten wij steken vallen? Ook zocht men contact met de koplopers. Alles draaide om leren en verantwoorden.”
In 2015 echter raakte het delen van patiëntgegevens in de GGZ in opspraak, en is de ranglijst en daarmee het landelijke plaatje van klinieken die veel en weinig separeren, gesneuveld. De instellingen leveren ondertussen wel cijfers aan, maar die gaan naar de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die de data alleen controleert op uitschieters. En naar Zorginstituut Nederland, dat de aangeleverde cijfers op haar website zet, in een Excel-sheet, zonder enige structuur of duiding en soms niet eens kloppend. Op grond van deze data heeft onderzoeker Eric Noorthoorn een officieuze ranglijst opgesteld van 2019, na de cijfers bij de instellingen gecheckt te hebben. De cijfers van 2020 zijn nog niet gecontroleerd.
“Het Excelbestand is één grote chaos”, zegt Niels Mulder, hoogleraar openbare geestelijke gezondheidszorg in Rotterdam. Zeker voor leken, maar ook voor GGZ-medewerkers. Het ontbreken van fatsoenlijke, nationale cijfers noemt Mulder een “misstand”, en wel omdat dwang zo diep ingrijpt in het leven van patiënten. “Iemand opsluiten is een inbreuk op zijn of haar autonomie, wat meteen raakt aan meerdere mensenrechten.”
De nieuwe Wet verplichte zorg (Wvggz) - sinds januari 2020 van kracht – is bedoeld om dwang en drang terug te dringen, zegt Lemke. “Maar of dat lukt, mogen we officieel dus niet uitrekenen. Bizar, want zonder het landelijke beeld valt de wet helemaal niet te evalueren. We hebben met z’n allen een stap in het donker gezet en de vraag is nu: wie knipt het licht aan?”
Een belronde langs verschillende GGZ-organisaties maakt duidelijk dat er sprake is van een impasse. De meeste partijen zeggen transparantie en vergelijking hoog in het vaandel te dragen, maar niemand neemt het voortouw.
Voor cliëntenorganisatie MIND is het een doorn in het oog. “Transparantie blijft in de GGZ een taai probleem”, zegt Simone Melis namens MIND. “Het lijkt de instellingen aan moed te ontbreken, terwijl het delen van gegevens cruciaal is voor de kwaliteit van de zorg.” Andere klinieken zijn volgens sommige bestuurders bang dat ze door verzekeraars zullen worden afgerekend op hun prestaties.
Intussen heeft ook de Europese privacywet roet in het eten gegooid; om instellingsdata te bewerken en te vergelijken is een aanpassing van de wet nodig. Hiervoor geeft belangenvereniging De Nederlandse GGZ al in 2018, tijdens de totstandkoming van de Wvggz, aan de bel getrokken bij het ministerie van Volksgezondheid. Zonder resultaat.
Het ministerie laat desgevraagd weten dat er reparatiewetgeving in voorbereiding is “zodat de sector kan leren en verbeteren”, maar voegt daar geen tijdpad bij. Lemke: “Die reparatie kan makkelijk nog jaren duren.”

Website door: Casper van Rongen