Psychisch lijden vormt het hart van de psychiatrie, maar wat is het eigenlijk? Daar is in honderd jaar psychiatrie nooit goed over nagedacht, zegt psychiater Jim van Os.
Als tiener zat de vader van psychiater Jim van Os gevangen in een Japans interneringskamp in Indonesië. Over wat hij daar allemaal had meegemaakt sprak hij weinig. “Maar het bleek uit alles wat hij deed”, schrijft Van Os in zijn nieuwe boek Wat psychisch lijden is.. “Hij dronk, was paranoïde bij het zien van mannen in uniform. (…) Hij wilde een imperium opbouwen, rijk worden, onaantastbaar.”
De zus van zijn vader zat ook in zo'n kamp, maar ging daar later heel anders mee om. Zij zocht juist naar vergevingsgezindheid en dialoog. Ze schaarde zich achter de beweging van Morele herbewapening, die een lans brak voor verzoening.
Twee familieleden die totaal verschillend reageerden op vergelijkbare traumatische ervaringen. Het ontketende in Van Os een nieuwsgierigheid, die hem nooit meer heeft losgelaten. Wat houdt psychisch lijden eigenlijk in? Hoe kan het dat de een er nooit meer van herstelt en de ander ermee leert leven?
Van Os (Utrecht, 1960) geldt als de invloedrijkste psychiater van de lage landen. Er gaat geen maand voorbij of er verschijnt een interview met hem in een krant, tijdschrift of op tv. Afgelopen jaren draaiden die vraaggesprekken meer dan eens om euthanasie bij jongeren met psychische klachten, een thema dat Van Os ook komende zondag als Zomergast waarschijnlijk zal aansnijden.
Hij is een van de veertien psychiaters en artsen die in 2024 een brandbrief stuurden naar het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het overlijden van Milou (17). Het veroorzaakte een fikse rel. De briefschrijvers betwijfelden of de euthanasie van Milou zorgvuldig is verlopen, terwijl die volgens de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTE) aan alle wettelijke eisen voldeed.
Innerlijke worsteling
Zijn bekendheid dankt Van Os aan zijn jarenlange strijd voor een nieuwe GGZ. Voor een geestelijke gezondheidszorg die beter luistert naar het verhaal van patiënten en nauwer aansluit bij hun ervaringen. Die stopt met mensen in hokjes te duwen en labels op te plakken.
In een verhelderende passage in zijn boek voert hij een man op die net te horen heeft gekregen dat hij een depressieve stoornis heeft. ‘Vanmorgen was hij iemand die het al twee jaar zwaar had. Nu is hij een mens met een aandoening. In zijn auto, voordat hij de motor start, vraagt hij zich af wat hij nu eigenlijk in handen heeft gekregen. Een verklaring? Een doodvonnis? Een verlossing? Hij weet het niet.’
Psychisch lijden laat zich wat Van Os betreft niet vangen in labels, zoals die opgesomd staan in de DSM, het handboek van de psychiatrie. Begin dit jaar benadrukte hij nog maar eens, nu in vakblad Nature, dat diagnoses weinig zeggen over de gevoelens die achter het lijden schuilgaan. Twee mensen met dezelfde diagnose, kunnen totaal verschillende kwetsbaarheden, krachten en zorgbehoeften hebben.
Roept Van Os dit al langer, in zijn boek doet hij een fundamentele en filosofische stap terug: wat is psychisch lijden eigenlijk? Dat is de vraag waar het eigenlijk om draait, postte hij eerder op LinkedIn. ‘Daar hebben we in honderd jaar psychiatrie en psychologie eigenlijk nooit goed over nagedacht. (…) Hoe komt het dat je in een innerlijke worsteling terechtkomt met iets dat je niet kunt uitschakelen?’
Serotonine
Eerst duikt hij in de vakliteratuur, zoals hij onlangs beschreef in een essay in het Tijdschrift voor Psychiatrie. Markant is dat van de miljoenen publicaties over psychische stoornissen treft Van Os slechts tien artikelen waarin de ervaring van het lijden aan bod komt. En van die tien gaat geen enkel stuk daar diep op in.
Hoe kan dat? Omdat de concrete ervaring van het lijden niet relevant is voor psychiaters en psychologen die werken met diagnoses, behandeling en protocollen. Menigeen speurt nog steeds naar defecten in het brein om psychische malaise te verklaren, zegt Van Os. Naar hersenbanen die niet sporen, of naar een tekort van stofjes als serotonine. Zinloos, blijkt volgens de hoogleraar. 'Na vijftig jaar zoeken hebben we geen enkele specifieke neurobiologische afwijking gevonden die hoort bij depressie, angst, psychose, ADHD of autisme.'
Kortom, het lijden speelt zich af in een normaal brein, schrijft Van Os, in een stijl die nu een stuk abstracter wordt. In een normaal brein komen simpel gezegd prikkels via de zintuigen binnen, die in het hoofd worden geduid en aangevuld met herinneringen en verwachtingen. Wat dan weer van invloed is op je gevoel en stemming.
Paardencoaching
Totdat het vastloopt. Het lijden begint zodra het hoofd de zintuiglijke informatie links laat liggen, zijn eigen plan trekt en zo de waarneming van de buitenwereld vertekent. Zoals dat gebeurt in een obsessie of hunkering (naar drugs). Dit strookt met de manier waarop veel mensen het psychische lijden ervaren: als een dwingende aanwezigheid. ‘Een stem die gebiedt, een gevoel dat zich opdringt, of een gedachte die zich eindeloos herhaalt.’
Ook inherent aan het lijden is dat mensen geen toekomst meer zien en gedesoriënteerd raken, schrijft Van Os . Ze voelen zich niet alleen beroerd, maar zien ook ‘geen vooruitzicht, geen morgen, geen zin om iets in te zetten’. Bovendien raakt menigeen in een isolement. Psychisch lijden is eenzaam, onzichtbaar en niet altijd uit te leggen. Mensen missen echte ontmoetingen, met anderen en met zichzelf.
Dit is het psychische lijden, zegt Van Os, zoals patiënten dat werkelijk doormaken. Maar let wel: het speelt zich nooit alleen in het hoofd af, maar heeft altijd te maken met anderen, met het eigen verleden en de samenleving. Met deze context in het achterhoofd moeten behandelaren niet laten leiden door de vraag: wat heb je? Maar: wat is er gebeurd? Wat heeft je uit het lood geslagen? Aan welke zorg heb je behoefte?
Van Os ziet zijn nieuwe boek – met als ondertitel: wat je moet weten voordat je naar de GGZ gaat - niet alleen als een exposé over psychisch lijden maar ook als ‘een interventie’. Hij wil er een breed publiek mee over de streep trekken, rijp maken voor de nieuwe GGZ. ‘Een transformatie kan niet werken zolang de bevolking nog steeds meegaat in het oude verhaal van hersenstoornissen, DSM-categorieën en specialistische zorg als enige oplossing.’
Van Os is overigens al lang niet meer de enige behandelaar die af wil van de labels. Dat die veel te dominant zijn geworden in de spreekkamer zullen aardig wat collega’s beamen. Hun kritiek op Van Os is dat het ontbreekt aan goede alternatieven voor de DSM.
Halverwege schrijft de Utrechtse psychiater over zijn experiment met zes proefregio’s (Noord-Veluwe en Midden-IJssel). In die ‘ecosystemen’ werken GGZ-behandelaren samen met huisartsen, het sociaal domein, sportclubs, kerken, zelfregiecentra, et cetera. Patiënten krijgen geen labels, maar ze horen hoogstens dat ze in de hoek zitten van bijvoorbeeld de stemmingsklachten of psychosegevoeligheid. Daarna draait alles om hun persoonlijke verhaal.
Qua behandeling ligt niet alleen psychotherapie voor de hand. Alles wat helpt, wordt uit de kast getrokken. Van wandelen, samen lezen, yoga, tot paardencoaching of een ayahuasca-ceremonie. Van Os ziet een behandeling als een ritueel dat patiënt en behandelaar samen voltrekken. Daarin zit meestal de kracht.
Mocht de hervorming lukken, dan ziet Van Os een GGZ voor zich ‘waarin een mens in nood niet eerst door een trechter van diagnoses, protocollen en wachtlijsten moet, voordat er iemand naast hem komt staan.’
Jim van Os, Wat psychisch lijden is; Lannoo Campus; 200 blz.